Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV4656

Datum uitspraak2006-03-09
Datum gepubliceerd2006-03-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/3709 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Negatieve bijstelling WUV-uitkering in verband met ontvangen pensioen. Terugvordering. Pensioen voorheen vóór privatisering Kibbutz in natura. Nieuwe situatie. Wettelijke anticumulatieregeling.


Uitspraak

05/3709 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 12 mei 2005, kenmerk JZ/N80/2005, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgings-slachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 januari 2006. Aldaar is eiseres, zoals vooraf bericht, niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Blijkens de gedingstukken is eiseres, geboren in 1926, vervolgde en uitkerings-gerechtigde ingevolge de Wet. Uit terzake ingesteld onderzoek is verweerster gebleken dat eiseres vanaf 1 februari 2003 een pensioen is gaan ontvangen van haar - met ingang van die datum geprivatiseerde - Kibbutz [naam]. Dit heeft bij de definitieve berekening van de eiseres over het jaar 2003 toekomende periodieke uitkering, zoals neergelegd in een berekeningsbeschikking van 31 oktober 2004 en het daarbij behorende nader bericht van 1 november 2004, geleid tot een negatieve bijstelling van de over dat jaar voorlopig berekende periodieke uitkering en tot terugvordering van een teveel betaald bedrag van € 7.916,88. Het door eiseres tegen deze bijstelling en terugvordering ingediende bezwaar heeft verweerster bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. In bezwaar en beroep heeft eiseres aangevoerd - kort samengevat - dat het onderhavige pensioen na de privatisering in de plaats is getreden van een eerder door de kibbutz ter beschikking gesteld budget in natura, zodat hier sprake is van een extra korting zonder wezenlijke wijziging van haar financiële positie. In dit geding is aan de orde de vraag of, gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt die vraag op grond van de navolgende overwegingen bevestigend. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet dienen - behoudens hier niet van toepassing zijnde uitzonderingen - naast specifiek genoemde arbeidsinkomsten, vermogens-inkomsten en AOW-pensioen ook alle overige inkomsten op de periodieke uitkering in mindering te worden gebracht. Dit hangt samen met het inkomensaanvullende karakter van de Wet. Een pensioen als nu door eiseres ontvangen valt zonder meer onder het begrip overige inkomsten als hiervoor bedoeld. Verweerster zou handelen in strijd met een op haar rustende wettelijke verplichting indien zij dit pensioen niet op de periodieke uitkering in mindering zou brengen. De omstandigheid dat dit pensioen de vervanging is van een eerder aan eiseres toekomend “budget” maakt het vorenstaande niet anders. Door de privatisering van de kibbutz is juridisch gezien nu eenmaal een andere situatie ontstaan die door verweerster terecht is getoetst aan de van belang zijnde bepalingen van de Wet. Ingevolge artikel 59a, eerste en tweede lid, van de Wet draagt de administratieve uitwerking van een beschikking van verweerster in een berekeningsbeschikking een voorlopig karakter, en wordt deze in het kalenderjaar volgend op het jaar waarin die berekeningsbeschikking is afgegeven definitief vastgesteld. Hetgeen na definitieve vaststelling blijkt teveel te zijn uitbetaald dient te worden teruggevorderd. De Raad stelt vast dat de definitieve vaststelling van de aan eiseres over het jaar 2003 toekomende periodieke uitkering overeenkomstig deze bepalingen heeft plaatsgevonden. Nu uit die vaststelling bleek dat aan eiseres teveel is uitbetaald, ontstond daarmee voor verweerster de verplichting om tot terugvordering van het teveel betaalde over te gaan. De vraag of terzake aan eiseres enig verwijt kan worden gemaakt is hierbij niet relevant. Het beroep kan mitsdien niet slagen. De Raad acht voorts geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2006. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) E. Heemsbergen.